De eerste en verste fietsdoorkruising van Siberie - November 11, 2003 - 12:00
Deel 1
Overland Bicycle Expedition
Ralph Tuijn
Voorbij Magadan
Ralph Tuijn doorkruiste Siberië als onderdeel van de Overland Bicycle Expedition, die vier continenten beslaat. Een reis door een van de meest onherbergzame gebieden ter wereld, maar ook zeker een van de boeiendste.
Na 2700 kilometer fietsen door Nederland, Duitsland, Polen, Litouwen, Letland en Estland werd Rusland bereikt. Wat zal Rusland ons brengen en vooral Siberië. We hebben veel over het land gelezen, maar dat leverde alleen maar meer vragen op. Zijn er echt zoveel muggen, beren en slechte wegen? Is het moeilijk om aan voedsel te komen en geld te wisselen en vele andere vragen hielden ons bezig.
Na twee weken van onophoudelijke regen arriveren we aan de voet van het Oeral-gebergte. Het is de eerste maal dat we deze reis klimwerk tegenkomen. Een aangename afwisseling na alle vlaktes. In onze reisgids stond vermeld: "You will hardly notice that you are crossing the Ural-mountains". Wie dat hier vermeld heeft blijft een raadsel. Het zal zeker geen fietser zijn geweest en al snel hebben wij deze zin vervangen door: "It’s hard not to notice that you are crossing the Ural-mountains. Twee dagen lang volgt de ene pas de andere op. De laatste pas is tevens de hoogste. Herb fietst een paar honderd meter voor mij uit. Ik geef nog een schreeuw, maar hij hoort me niet meer en is al begonnen aan de afdaling. Gefixeerd op het wegdek is hij ongezien een grote witte obelisk voorbij gefietst, die hier geplaatst is om de grens tussen Europa en Azië aan te duiden. Op dit punt fietsen we niet alleen Azië, maar tevens Siberië na 5500 kilometer binnen. Hoe verder we Siberië, richting het Oosten in fietsen, des te vriendelijker en gastvrijer worden de Russen. Automo-bilisten stoppen regelmatig om ons van proviand te voorzien en hotels zijn niet langer meer nodig. Onze opvallende verschijning is genoeg om uitgenodigd te worden door sportzaken, reisbureaus, een brandweer-kazerne, een school, een bakkerij, vrachtwagens, een vissersboot en zelfs een telefoonkantoor om de nacht door te brengen.
Vlak na de stad Kemerovo worden we in een klein Siberisch dorpje uitgenodigd, wat tussen 1947 en 1963 een Siberisch strafkamp was geweest onder Stalin-invloeden. Tegenwoordig bestaat dit dorpje alleen nog uit Dacha’s (buitenhuisjes), die veel Siberiërs uit de steden er op na houden. We krijgen heerlijk vers eten uit de tuin en beleven onze eerste ervaring met de Siberische Banja (sauna). Vanaf nu werden de Siberische sauna’s een wekelijkse aangelegenheid. De sauna wordt flink heet opgestookt, waarna je vlak moet gaan liggen en door een Rus met hete takkenbossen wordt afgeranseld, gevolgd door een schrobbeurt met een soort superschuurspons. Het klinkt niet zo prettig, maar het beviel ons erg goed.
Dertig kilometer voor de stad Omsk hoor ik mijn achterwiel kraken. Bij nadere inspectie blijkt er een scheur van zo’n 15 centimeter in mijn achtervelg te zitten. Ik fiets stapvoets verder en bereik een paar uur later het centrum van de stad. Het wordt een flink gezoek. Twee Russen van een sportzaak vergemakkelijken het zoekwerk. Ik stap bij hen in de auto om de stad uit te kammen en met succes. Na een paar uur arriveren we weer bij de sportzaak met een nieuwe velg van redelijke kwaliteit. We kunnen weer verder fietsen. Honderd kilometer na de stad krijgen we voor het eerst te maken met de slechte Siberische wegen. 300 kilometers onverhard wegdek met veel zand, stenen en scheuren volgen. Het verkeer zorgt voor de nodige stofwolken en binnen de kortste keren zijn we bedekt met een grijze laag stof. Tot onze verbazing gaat het over in een gloednieuw wegdek, te nieuw zelfs. Onze grauwe gedaanten worden nu verrijkt met fraaie kleverige teerslierten. Uiteindelijk bereiken we de Siberische hoofdstad Novosibirsk, met als enige interessante attractie een eerste warme douche na zes weken.
Het asfalt voorbij
Na 8500 kilometer zijn we aangekomen bij het stadje Tajshet. We verlaten de hoofdweg en betreden het echte ruige Siberië. We worden nog gewaarschuwd door de Russen die ons vertellen dat we de normale weg naar de stad Bratsk moeten nemen, omdat onze weg enorm slecht zou zijn. We negeren hun waarschuwingen en vertellen dat we goede fietsen hebben. Hun waarschuwingen waren niet misplaatst, maar onze fietsen bleken gelukkig ook goed te zijn. De secundaire weg verandert na een paar kilometer in een onverhard gravelwegdek met redelijk wat kiezels en veel zacht zand. Er valt nog redelijk te fietsen. Na 80 kilometer van dit wegdek wordt de weg smaller tot zo’n twee meter breed met grote gaten en kuilen. Motorvoertuigen komen hier vrijwel niet meer. Om de honderd meter komen we een plas water tegen van zo’n 20 meter lang en ruim een halve meter diep. Met hard fietsen trekken we onze fietsen er net doorheen, met de opspattende watergolven langs ons heen. Een enkele keer, wanneer we een rivier tegen komen, wordt het lopen. Met het water tot over ons middel zwoegen we door de rivieren heen. Lang leve de waterdichte Ortlieb- fietstassen. Naarmate we vorderen wordt de weg steeds slechter. Het water verandert in een dikke modder- en kleidrab. Regelmatig komen we vast te zitten, fietstassen knallen van de bagagedragers af en drijven in de modder. Zwaar vermoeid komen we in een dorpje, waar een Baboushka (oma) ons uit de modder plukt en de sauna instuurt. Na de sauna staat de tafel al weer voor ons gedekt, zijn onze modderkleren gewassen, en zijn onze bedden opgemaakt.
Uitgerust kunnen we de volgende dag weer verder. Er is geen doorkomen meer aan. We komen totaal vast te zitten in de modder. We slepen onze fietsen de spoorrails op en fietsen een kleine twee dagen stuiterend over de ongeveer 90.000 bielzen verder. Na 45 kilometer spoorrails vinden we weer een modderpaadje aan de linkerkant van het spoor. Het pad wordt geleidelijk aan droger en dus beter befietsbaar, zodat we de stad Bratsk bereiken. Het werd weer bijkomen in de Banja om het volgende 750 kilometer onverharde wegdek tegemoet te gaan. Het onverharde wegdek was gelukkig weer iets beter befietsbaar tot zo’n 150 kilometer voor het Baikalmeer. De weg is weer smaller geworden met veel gaten en rotsen. Erg steile hellingspercentages en regelmatig ingestorte bruggen, zodat we te voet de rivieren moeten doorsteken. Het zwaarste aspect vinden we de grote hoeveelheden insekten. Een grote variëteit van allerlei muggen en steekvliegsoorten blijven constant met honderden om ons heen vliegen. Dat de parasieten ons aardig leegzuigen, wat bulten en bloedvlekken achter laat en potentiële bloedarmoede-patiënten creëert, dat doet ons niet zo veel meer. Dat ze massaal in groepsverband onze oren, ogen, mond en neusgaten willen binnen dringen, dat gaat te ver. We fietsen van nu af aan dus verder met muskieten-netten over ons hoofd. Flink vermoeid bereiken we na 9700 kilometer het Baikalmeer. Het diepste meer ter wereld, wat een vijfde deel van de zoetwatervoorrraad van de aarde bevat en als enige plaats ter wereld zoetwater-zeehonden bevat. Een goede plaats om een week uit te rusten. We huren een kajak om de Baikalrotskust te verkennen. Een onverwachte storm zorgt ervoor dat we noodgedwongen twee dagen op een eiland in het meer moeten bivakkeren. We zien onze voedselvoorraden inkrimpen en op raken. Gelukkig gaat de storm liggen en peddelen met lege magen en trillend van de honger de laatste dertig kilometer terug naar de bewoonde wereld.
Na een week van "relaxen" aan het prachtige Baikalmeer werd het weer tijd om de fietsreis te vervolgen. Ditmaal weer alleen. Mijn reisgenoot (Herbert-Jan Anholts) vertrok vanaf hier weer naar huis en dat is weer even wennen na 3,5 maand met z’n tweeën op de fiets doorgebracht te hebben. De resterende 1400 kilometer onverharde weg langs de BAM-spoorlijn liggen voor me. Deze weg zal bij het stadje Tynda weer aansluiten op de hoofdweg die naar Jakutsk en Magadan aan de Grote Oceaan leidt. Alhoewel hoofdweg een groot woord is. Ruim 1.000 kilometer terug heb ik al afscheid genomen van het asfalt en dat zal ik niet meer terugzien in Rusland.
Net als een maand geleden had ik veel modder verwacht. De wegen waar ik nu op zat, die zelfs op de meeste kaarten ontbraken, waren een stuk droger.
Zand ,stenen, rotsen, rivieren, ingestorte bruggen en muggen bleven me echter wel vergezellen.
De eerste dagen verliepen vrij snel met dagafstanden rond de 100 kilometer. De Siberische gastvrijheid bood me de helft van de tijd weer onderdak, en dat kon ik goed gebruiken na een noodgedwongen verblijf van vier dagen in het stadje Taksimo. Een giftige paddestoel in mijn eten had tot gevolg dat ik twee dagen op bed lag te kreperen van de buikpijn. Het plaatselijke ziekenhuis moest hier verbetering in brengen met de Russische versie van een klysma. Fijn gestileerde catheters hebben ze hier niet, dus er ging een tuinslang bij me naar binnen, waaraan een kruik verbonden zat. Drie liter lauwwarm water met fosfaatoplossing werd bij me naar binnen gegoten, wat er weer twee keer zo snel uitkwam. Het gaf enige verlichting, en na nog een nacht met buikpijn kon ik mijn reis vervolgen.
Begin september gaat de Siberische zomer over in de herfst, en wordt snel gevolgd door de winter. In enkele dagen worden de loofbomen dor en verliezen hun blad. De hogere bergen raken al aardig bedekt met sneeuw en de temperatuur daalt. Zo kreeg ik op 1.100 meter hoogte al een nacht van
-10 graden Celcius, waarbij het ijs aan de tent hing. Enkele dagen later bleken deze temperaturen meer regelmaat dan uitzondering te zijn. De wegen werden weer slechter en de fietspech nam problematische vormen aan. Na 11.000 kilometer heb ik vijf buitenbanden versleten. De laatste twee zitten momenteel om mijn velgen. Ik hoop dat deze twee het uithouden tot de stad Jakutsk, waar waarschijnlijk twee nieuwe exemplaren op me wachten.
500 kilometer voor Tynda is het schrikken geblazen. Wat is dit? Heb ik dat? Tijdens mijn vorige reis zat er een Bengaalse tijger op de weg in India, nu loopt er een beer. Ik keer om en met dubbele snelheid fiets ik een kilometer terug en steek de ene sigaret nerveus met de andere aan. Wat zijn die beesten groot! Wat doe ik nu? Zal ik om de weg heen gaan via het bos, maar aan welke kant van de weg dan. Misschien zit dat beest nu juist wel weer in het bos naast de weg! Ik houd me voor dat ik nu meer kans heb om een beer naast de weg te vinden als erop. Ik kies voor de weg. Een uur later heb ik de moed weer verzameld om door te fietsen en is de beer gelukkig weer verdwenen. Althans van de weg.
De laatste dagen zijn zwaar en gaan over erg slechte wegen. De wegen bestaan hier afwisselend uit zacht zand, veel groot steenpuin en dichtbegroeide paadjes,waar vrijwel niemand meer komt. Ik had verwacht dat dit laatste stuk gemakkelijker zou zijn, omdat ik het Siberisch bergland verlaten heb. Het blijkt een stuk zwaarder te zijn. Kleine steile klimmetjes van 15 à 20 % volgen elkaar snel op, wat mijn achterwiel regelmatig doet doorslippen op de losse stenen. In dit gebied zijn de afdalingen geen beloning. Met vol ingeknepen remmen is het met kramp in de vingers zwaar manoeuvreren over dit technische terrein. Dit laatste deel heeft me dan ook vier remblokken gekost. de Shimano V-brakes blijken veel sneller te slijten dan de oude Cantilever remmen. Dit is een probleem voor veel nieuwe mountainbike-frames, zoals de Klein attitude waar ik nu op fiets. Er bestaat alleen nog de mogelijkheid om V-brakes te bevestigen, Cantilever remmen passen niet meer. 15 kilometer voor Tynda houdt het fietsen op: mijn zesde buitenband is versleten. Het laatste stuk slecht wegdek van 1400 kilometer heeft me alleen al vier buitenbanden gekost. De oorzaak hiervan lag niet alleen aan het terrein. Al jaren fiets ik op Continental town & country banden. Sinds iets meer dan een jaar maakt Continental zijn profiel twee maal zo dun en van een kwalitatief lager materiaal. Vroeger fietste ik 15.000 kilometer op zo’n band. Nu ben ik blij als ik 4000 kilometer haal. Ik denk dat ze hun banden op een gegeven moment te sterk hebben gemaakt en daardoor nog weinig nieuwe exemplaren verkochten. Door de kwaliteit wat te laten afnemen, moet de verkoop weer stijgen.
Lopend vervolg ik mijn tocht, om na vier uur in Tynda aan te komen. Helaas geen banden verkrijgbaar, maar gelukkig zijn de Siberiërs er ook nog. Er wordt getelefoneerd met een Rus in China, die als het goed is morgen met de trein hier aankomt met twee nieuwe Chinese banden, zodat ik mijn reis weer kan vervolgen.
Mijn vertrek uit het stadje Tynda werd verplicht twee dagen uitgesteld door de Russische politie. Niet vanwege het feit dat mijn Russische visum verlopen is, maar omdat mijn fiets en de helft van mijn spullen gestolen zijn. Hoe was dit mogelijk geweest? Mijn fiets had nog nooit zo veilig gestaan; in een winkel met ijzeren deuren en zware sloten, getraliede ramen, een omheining om het terrein met twee waakhonden en een bewaker.
De winkel ligt bezaaid met mijn spullen, alles tot de kleinste details uitgepakt. Wat voel ik me vernederd. Er is geen braak te zien en de honden hebben niet geblaft. Het moet een bekende geweest zijn. Een halve dag later wordt een personeelslid opgepakt en is het merendeel van mijn spullen weer terecht. De dader ontkende dat hij de resterende spullen had. Twee rechercheurs namen hem vervolgens mee naar een ander vertrek. Er volgde een luidkeels geschreeuw waarna de dader met tranen in zijn ogen en een gebroken hand terug kwam, maar hij had bekend en de resterende spullen werden bij hem thuis opgehaald. De straffen zijn hier wat zwaarder dan in Nederland, de dader zal voor vijf jaar achter de tralies verdwijnen.
Ik kon mijn tocht weer vervolgen. De weg was wat beter geworden, maar de omstandigheden veel slechter. De temperatuur komt niet meer boven de nul graden uit. Iedere dag sneeuwt het en regelmatig krijg ik een sneeuwstorm om mijn oren. Mijn remmen, derailleurs en kettingbladen vriezen vast tot grote ijsklompen, waardoor ik vaak maar in één verzet kan fietsen. ‘s Nachts valt de meeste sneeuw en af en toe moet ik de tent uit om hem uit te graven omdat deze dreigt in te zakken. De weg blijft zwaar en het blijft sneeuwen. Ik ondervind veel steun aan het passerende verkeer. Veel vrachtwagenchauffeurs zijn op de hoogte van die maffe Nederlander die hier in barre omstandigheden fietst. Regelmatig voorzien ze me dan ook van eten, een warme bak koffie of een hartverwarmend glaasje wodka. De passerende vrachtwagens hebben op veel plaatsen de sneeuw aan gereden tot ijs, waardoor ik dagelijks een keer of vijf onderuit ga. Mijn laatste remblokken zijn ook versleten, waardoor ik nu remmend met mijn voeten afdaal. Alleen in het uiterste geval gebruik ik mijn remmen nog, omdat het ijzer onder mijn remblokken zichtbaar is geworden en deze met een piepend geluid groeven in mijn velgen grafeert.
Ik had de sneeuw pas later verwacht. De dagelijkse sneeuw dwingt me tot haasten, om niet in de winter vast te komen zitten. Ik ga meer gedisciplineerd fietsen. Wanneer ik daglicht heb zit ik op de fiets, slechts onderbroken door korte pauzetjes van een minuut of tien om even wat te eten en te drinken. ‘s Avonds snel de tent op zetten, wat koken en meteen slapen om ‘s ochtends weer een vroege start te maken. Het kost me veel inspanning en ik vind weinig rust om me te herstellen. Dit tempo vreet aan me en met de dag voel ik me vermoeider worden in de koude. Na tien dagen zwoegen door de sneeuw kom ik gebroken aan in de stad Jakutsk. Een dag pauze volgt om de voedselvoorraden weer aan te vullen, wat uit te rusten in een lekkere warme hotelkamer en de nodige reparaties aan mijn fiets te verrichten. Waarna het volgende stuk op me wacht over nog slechtere wegen in lagere temperaturen naar de 2.000 kilometer verderop gelegen stad Magadan, aan de Grote Oceaan.
Na Jakutsk worden de dagen alsmaar korter, naargelang ik de Siberische winter tegemoet ga. Overdag komt de temperatuur niet neer boven de -10_ Celsius uit en ‘s nachts hangt de temperatuur bij de -20 à -25_ celsius in de buurt. Het eerste stuk na Jakutsk heb ik gelukkig niet al te veel sneeuw, maar de onverharde weg blijft het zwaar maken. Veelal bestaat de weg uit harde diepe ingedroogde moddersporen, waardoor fietstassen en pedalen regelmatig klem komen te zitten. Lowriders voldoen niet echt goed op de Siberische wegen. De zware wegen en korte pauzes doen me vermoeien.
‘s Avonds kook ik snel een warme maaltijd en puf heb ik niet meer om mijn tent op te zetten, waardoor ik slechts nog mijn slaapzak uitrol. Wanneer het sneeuwt zoek ik een plekje onder een houten afdak die je regelmatig tegenkomt. Deze onderkomens zijn gemaakt om bij te veel sneeuw als schuilplaats voor het vee te dienen.
Voor de nacht zocht ik een bivakplaats bij een sjamaan. Dit zijn heilige gebedsplaatsen, waar passanten allerlei voorwerpen offeren om de Goden goed te stemmen, zodat de reis veilig zal verlopen. Ik maakte een fout. Ik fietste langs de sjamaan en rolde 100 meter van de plaats mijn slaapzak uit. De laatste brander deed ook al niet echt veel meer, maar met veel geduld leverde het een saaie lauwe pasta maaltijd op. ik kroop diep in mijn slaapzak om niet al te veel last te hebben van de koude wind bij - 20_ celsius en viel in slaap.
Na een uur schrok ik wild wakker. Ik had gezelschap gekregen. Er klonk een oorverdovend gebulder en gejank van een wolf die dicht bij me in de buurt liep. Wanneer ik me oprichtte en wat schreeuwde deinsde hij weer een eindje terug, maar bleef doorbrullen. De wolf loopt rondjes om me heen op een afstand van zo’n 15 meter. Af en toe krijg ik zijn fel glinsterende ogen te zien. Van slapen komt het niet meer.
Een auto arriveert met Yakutten. Er wordt gepraat en gedronken. Een fles valt, die valt niet meer te offeren. Dat is niet zo’n probleem, je kunt immers alles offeren op een ding na (wodka). Zo wordt er geld geofferd, eten, bier, koffie, plakplaatjes, kauwgom, eau-de-toilette, sigaretten, maandverband, condooms (gebruikt), kleding en kogelpatronen, die natuurlijk eerst ter plaatse worden afgeschoten. Dat laatste was ik even vergeten. Al snel vermoed ik dat iedere Yakut zijn eigen wapen meegenomen heeft en weerklinkt een enorm lawaai van schoten. De wolf vindt het waarschijnlijk wel leuk en hervat zijn gejank. Dat bracht de Yakutten waarschijnlijk op een idee in de trend van: "Als we die kogels toch moeten wegschieten, dan kunnen we dat net zo goed doen op dat beest die ergens in dat veld rondloopt". De wolf vond het waarschijnlijk nog steeds leuk en bleef vrolijk jankend rondjes om me heen lopen. Ik sloeg doodsangsten uit. de kogels vlogen met een scherp fluitend geluid langs me heen. Ik dook achter mijn fiets met m’n hoofd tussen armen geklemd. Trillend van de angst durfde ik geen vin meer te verroeren. Uit angst dat ze nog gerichter gingen schieten voordat ze beseften dat ze met een mens te maken hadden.
Het volgende half uur leek een eeuwigheid te duren, maar uiteindelijk zijn de kogels op en verdwijnen de Yakutten. Ik sla een zucht van verlichting gevolgd door een woede uitbarsting richting de wolf. Ik ren driftig scheldend naar hem toe, maar tevergeefs. Als zo’n beest met een kogelregen al niet weg te krijgen is, dan zal ik wel helemaal geen indruk op hem gemaakt hebben. Na een paar uur verdwijnt de wolf toch nog en slaap ik een uurtje.
Zodra de zon op is pak ik snel mijn spullen in en begeef me naar de sjamaan. Ik offer 20 sigaretten, veel roebels en eten. waarna ik wens dat mijn pad niet meer gekruist wordt door kogels, wolven, beren en fietspech en stap weer op de fiets.
Het blijft dagelijks sneeuwen. Met lange uitputtende dagen haal ik op dit terrein nog steeds goeie dagafstanden van zo’n 80 kilometer, maar het vreet aan mijn lichaam. Ik voel me alsmaar vermoeider worden. Ik ga regelmatig onderuit op het gladde wegdek en mijn smeergeld aan de sjamaan werpt ook niet echt zijn vruchten af. De materiaalpech neemt eerder toe dan af. Mijn "unbreakable" thermosfles bleek na de talloze vallen toch breekbaar. Een tweede velg barst bij de lasnaat. De lagers van mijn achternaaf zijn uitgesleten. Zeven buitenbanden zijn versleten. De tweede brander heeft het ook begeven en met geen mogelijkheid krijg ik ze meer gerepareerd. Ik kan geen water meer bewaren. Ik kan niet eens water meer ontdooien en koken. Ik eet oud brood en andere restjes aangevuld met wat proviand, water en natuurlijk wodka, die ik van de zeldzame Rus die ik tegenkom krijg .
Op deze manier fiets ik nog een aantal dagen verder en begin me steeds meer te beseffen dat het resterende gedeelte naar de Beringstraat nog veel te ver weg is. Met alle gebreken is het een onmogelijke onderneming geworden. Mensen zal ik steeds minder tegenkomen. Over een maand is het -40_ celsius en over twee maanden -60_. ik heb wel eens een paar dagen in -40_ celsius gefietst, maar om een maand onder deze omstandigheden te fietsen, dat is echt onhaalbaar en veel te gevaarlijk. Bij het plaatsje Susuman besluit ik er een punt achter te zetten na 13.300 kilometer. 5000 kilometer onverhard wegdek en daarmee nog steeds 3000 kilometer verwijderd van de Beringstraat. Niet met spijt, Siberië was een onvergetelijke ervaring en zodra de hevigste winter voorbij is, zal ik hier weer met de fiets terugkeren.
Eindelijk was ik weer terug in Nederland. Het normale leven begon weer vorm te krijgen, maar Siberië bleef roepen. Ik had de reis beëindigd bij een nietszeggende plaats ergens in Noord-oost Siberië. Een eindplaats wat totaal niet als een eindpunt voelt. Een pool reiziger heeft zijn doel op een pool liggen, een bergbeklimmer op een top, een fietsreiziger bij een belangrijke historische plaats, zee of oceaan. Ik zat nog ver bij alle drie uit de buurt. Mijn doel was de Bering zee geweest en daar zou ik voor teruggaan.
 [WM]